• Alles over het oude Rotterdam
  • verhalen herinneringen oude foto,s
  • tot 1960
Geschiedenis oud Rotterdam » ROTTERDAMMERS HUN RECHT EN ORDE

Het tucht-, werk- en beterhuis

In 1663 kreeg Rotterdam net als Amsterdam, dat z'n rasphuis had, een tuchthuis. Vóór die tijd werden bedelaars en landlopers soms tijdelijk vastgezet en in geval van langdurige opsluiting naar Gouda overgebracht, waar al eerder een tucht- en werkhuis was. Zo'n huis was bedoeld voor leeglopers, vagebonden, bedelaars en dieven; ze werden er aan het werk gezet. Voor opneming in het tuchthuis was een vonnis van schepenen of een opdracht van de burgemeesters nodig. Behalve voor bedelarij en herhaalde dronkenschap zaten velen ook voor kleinere diefstallen en allerlei baldadigheden in het tuchthuis. Zo werd Maria Maerlijn, dertien jaar oud en met de bijnaam Schotse Marie, in 1665 voor twee jaar in het werkhuis opgesloten. Ze had namelijk de gouden ringetjes van enkele kinderen gestolen.

Hoewel het de bedoeling was dat de inkomsten uit arbeid in het tucht- en werkhuis de kosten van de instelling zouden dekken, moest het stadsbestuur toch vaak bijspringen. Het werk bestond voor de mannen uit het raspen en kappen van hout dat voor de bereiding van verf werd gebruikt, en voor de vrouwen uit het spinnen en kaarden van wol, het maken van visnetten en het uitzoeken van koffiebonen. Mannen die het zware werk niet aankonden, moesten vrouwenwerk doen. De straftijden werden op den duur langer. In de praktijk viel het echter meestal mee, want wie zich goed gedroeg, kon op strafvermindering rekenen. Deze vorm van gratie werd telkens verleend bij de jaarlijkse verkiezingen van de burgemeesters en de schepenen. Dertig jaar werkhuis kon zo tot acht, negen jaren worden teruggebracht. Omstreeks 1800 zaten er gemiddeld per jaar zo'n 125 mensen vast. Als een aparte inrichting, maar wel onder hetzelfde dak van het tucht- en werkhuis, kwam er ook een 'beterhuis', dat Padua werd genoemd. Daarin werden mensen op verzoek van particulieren opgesloten. Dikwijls ging het om leden van goede families, die hun geld en goede naam door losbandigheid te grabbel gooiden. Hun namen werden voor de buitenwereld geheim gehouden en zij hoefden niet te werken. De familie moest echter wèl voor hun onderhoud betalen.

DE ROTTERDAMSE POLITIE GESCHIEDENIS

Rating: 0 sterren
0 stemmen

Van korps naar Eenheid.

Sinds 1340 verkreeg Rotterdam per Privilege, Stadsrechten.

In dit privilege werd gesteld dat een Baljuw of Schout en de Schepenen de dragers van de overheidstaken waren.

Het begon met zogenaamde Hellebaardiers die in de omgeving van de Burgemeester ten stadhuizen zorgden voor de handhaving van de orde. Zij verrichten behoorlijk gewapend ook dienst aan de stadspoorten. De Schout en de Schepenen maakten keuren om over straten en stegen, heulen, op- en afritten van bruggen, maten en gewichten, vuur en licht, politierecht uit te oefenen. Zij berechtten ook handelsgeschillen en hadden het toezicht op vreemdelingen. Tussen het luiden van de avond- en de morgen poortklok werden de standpoorten gesloten. Niemand mocht er nog in of uit. Zeker op vagebonden en bedelaars werd toegezien dat ze de poorten niet binnen kwamen.

Er was geen scheiding tussen de wetgevende macht, Politie en Justitie.

De Schout was niet bezoldigd, doch hield een gedeelte van de opgelegde boetes. Hij werd voor de tijd van 5 jaar benoemd door de Graaf.

In 1645 werd besloten dat de Schout, vanwege een eerlijkere boeteoplegging, jaarlijks  300 gulden zou ontvangen. Hij kreeg 18 gulden voor een mantel en een vergoeding voor de tijd dat hij bemoeienis had met zijn Schepenen. Ook bleef zijn aandeel van de opgelegde boetes en werden de kosten voor berechting vergoed. Er werden een aantal Dienaars van Justitie aangesteld, mogelijk tussen de  8 en 16 stuks.

In daaropvolgende jaren werden verschillende vormen van een politieapparaat in het leven geroepen.

De openbare orde werd ’s nachts verzorgd door zogenaamde nacht- of klapwakers. Zij ontvingen hiervoor 5 stuivers per nacht, moesten tenminste drie jaar als burger binnen de stad gewoond hebben en tussen de 25 en 45 jaar oud zijn.


FOTO ALBUM ROTTERDAMSE POLITIE

ROTTERDAM FIJNE STAD OM TE WONEN EN TE WERKEN


GESCHIEDENIS VAN DE ROTTERDASMSE BRANDWEER

Het zal wel een gek gezicht zijn geweest: mannen die half ontkleed over straat holden naar hun brandspuithuisje om te proberen als eerste bij een brand te komen. Want de eerste spuiteenheid die water spoot kreeg een premie. ’s Nachts konden de spuitgasten natuurlijk ook uit hun bed gebeld of gewekt worden als in de buurt brand uitbrak. Het gebeurde weleens dat een ‘lollig’ familielid ’s avonds laat ‘Brand’ riep en dan holde pa slaapdronken, half gekleed naar buiten Rookverboden zijn niet alleen iets van deze tijd. Zo was er in 1719 een verordening dat men niet mocht roken bij het werken in de buurt van (licht)brandbaar materiaal. Uiteraard is het meer dan logisch dat er niet gerookt mag worden waar brandgevaar op de loer ligt. Merkwaardig is echter dat het volgens deze verordening ook verboden was voor koetsiers en voerlieden om tabak te roken terwijl zij …door de stad ryden of voor kerken of andere plaetsen hunne Heeren of Vrouwen opwagten.


FOTO MIX  ROTTERDAM RECHT EN ORDE