Veel plezier

nieuw-Een rit door oud Rotterdam » nieuw-Rotterdammers en hun jonge jaren en onderwijs

Deze opname van spelende kinderen op het Van Hogendorpsplein werd omstreeks 1900 gemaakt door R Schudde beurs.

Voor Rotterdamse kinderen is hun geboorteplaats altijd heel gewoon geweest. Als je rond de eeuwwisseling in één van de sloppen van het centrum opgroeide, dan was Rotterdam een vieze, rumoerige armoede-stad en wasje van jongs af aan vertrouwd met werkloosheid, dronkenschap en ziekte. Deze kinderen leefden in een ander Rotterdam dan de bevoorrechten die in de pas gebouwde villa's aan de Vijverlaan in Kralingen groot werden. Voor hen bestond Rotterdam uit groene lanen, waar dienstboden en kindermeisjes hun rustige gang gingen. En latere generaties hebben weer een ander beeld van hun stad: 'Geboren in de nacht na dat bombardement, als kind nauwelijks beseffend wat er gebeurd was, spelend op de vele open vlakten in de stad - je speelde 'achter van Nelle' of 'in de Puin' - en in de half onder water staande kelders van wat eens huizen en gebouwen waren geweest, zag ik de stad zoals zij was: on-af'. Maar voor kinderen die na 1980 zijn geboren, is er niets on-af. Rotterdam is zoals het is: een moderne stad, die zich vooral op de toekomst richt.is genoemd. Wie de jeugd heeft, heeft immers de toekomst en in Rotterdam drong vrij vroeg het besef door dat haven en bedrijfsleven behoefte hadden aan gezonde en liefst ook geschoolde arbeiders. Haveloze kinderen, verwaarloosde, maar geraffineerde diefjes, beginnende tuberculose lijdeiertjes en vroegrijpe meisjes waren een last voor de samenleving. Hoe eerder werd ingegrepen, hoe meer kans er bestond dat deze jeugdigen toch nog zouden opgroeien tot nuttige leden van de maatschappij. Behalve ingrijpen, wilde men ook 'vormen'. Volgens velen ontbrak het de 'rijpere jeugd' aan idealen en visie op de toekomst. De jeugdzorg moest deze leegte bestrijden door zinvolle perspectieven te bieden. Vaak werd hierbij betutteld, maar even dikwijls sprak en spreekt in Rotterdam een oprechte bekommernis over de wijze waarop de kinderen van de stad volwassen moeten worden.

Deze opname van spelende kinderen op het Van Hogendorpsplein werd omstreeks 1900 gemaakt door R Schudde beurs.
De kinderen Stahl woonden in een groothuis aan de Willemskade. Hun moeder, mevrouw Stahl-Van Hoboken, maakte omstreeks 1908 deze foto. Onder leiding van de kinderjuffrouw werd bij mooi weer een wandeling naar het nabij gelegen Park ondernomen.
Van Pinksterdrie mochten ook de kleintjes meegenieten. Gezeten in een elegante kinderwagen konden zij zich vergapen aan de kleurrijke bloemenpracht.
In een keurige rij lopen meisjes met dure hoeden op langs de 's Gravenwegin Kralingen. De foto werd hartje zomer, omstreeks 1900, genomen.
Vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen Stahlposeerden omstreeks 1908 voor de camera van mevrouw Stahl. Aan hun keurige kleren is te zien dat zij tot 'deftig' Rotterdam behoorden.
Bij het modemagazijn Esders bediende men zich omstreeks 1895 nog bij voorkeur van de Franse taal. A la Grande Fabrique', klonk dat niet deftiger dan Esders? Het matrozenpak was hier in allerlei uitvoeringen en prijzen te koop.
Tijdens de kermisdagen moesten de kinderen maar zien hoe ze zich vermaakten en daarbij kregen ze ook nog de zorg voorde 'kleintjes' toebedeeld. Achter een wafelkraam, ondereen parasol, rust het troepje even uit. De foto van H. Berssenbrugge dateert uit 19
Zo vader, zo zoon. Dit gold ook in de armelijke achterbuurten van het centrum. Het jongetje met de handkar draagt, evenals de man verderop, een pet en een ruimvallende broek. Henri Berssenbrugge maakte deze opname omstreeks 1910 in de Hennepgang.
Koninginnedag was na de afschaffing van de kermis dé feestdag voor vrijwel de hele bevolking, ook voor het groepje aangeschoten jongelui dat H. Berssenbrugge in 1910 voor het stadhuis aan de Kaasmarkt vastlegde.
In de Leeuwenstraat bestond het vermaak voor kinderen en pubers voornamelijk uit rondhangen en schooieren.
Bij gebrek aan speelgoed amuseerden de kleinsten zich met zaken als vliegen vangen. De slecht passende kleding spreekt boekdelen over hun positie in het gezin en op de maatschappelijke ladder. foto'werd rond 1910 gemaakt door H. Berssenbrugge.
Het Hervormde Kinderhuis aan de Van Speykstraat, gebouwd aan het einde van de 19de eeuw, was een soort kinderpakhuis, waarin een groot aantal wezen en half-wezen kon worden ondergebracht. De foto dateert uit omstreeks 1915.
Rating: 1 ster
1 stem

Rotterdammers en hun Onderwijs

Armenscholen

Het stadsbestuur was er in de achttiende eeuw van overtuigd dat gebrek aan kennis één van de oorzaken van de diepe armoede was. Ouders die met hun gezinnen van de bedeling leefden, waren verplicht hun kinderen naar school te sturen. Maar de vele particuliere schooltjes zaten echt niet te wachten op niet-betalende leerlingen. Voor de stad zat er dan ook niets anders op dan zelf armenscholen te stichten, die voor een groot deel werden bevolkt door kinderen uit de weeshuizen. Vanaf 1774 schonk Rotterdam per jaar 2500 gulden uit de opbrengst van het 'assche- en vuylnissegeld' aan de kerkelijke armenzorg, die verantwoordelijk was voor het beheer van de diaconiescholen, een kerkelijk soort armenschool. Volgens voorschrift  moest boven de voordeur van de school een bord worden gehangen, waarop in grote letters 'Diaconieschool' stond. Het lokaal van zo'n school stelde niet veel voor. Het was een fors vertrek, in een door de onderwijzer op eigen kosten gehuurde woning. De ruimte was veel te klein voor de soms wel honderd kinderen die er op school zaten. Als het erg vol was, moesten de laatste binnenkomers op de schoorsteenmantel zitten.

 

Buitengewoon onderwijs

Rotterdam is groot in grote dingen, maar ze kon ook groot zijn in kleine zaken. Het onderwijs aan de zwakkeren in de maatschappij, waarin de stad altijd

een vooraanstaande rol heeft gespeeld, is daar een mooi voorbeeld van.

Als eerste voorziening op dit gebied werd in 1853 een school voor doofstomme kinderen gesticht, met veertien leerlingen. De school was ondergebracht in een gehuurd huis aan de Hoogstraat. Als eerste instituut in Nederland voerde men de 'spreekmethode' (liplezen) in; elders werd onderwijs in gebarentaal gegeven. Later verhuisde de school naar de Coolsingel, maar in 1896 werd de ingang verplaatst naar de nieuw aangelegde Ammanstraat. Deze straat, en ook de Ammanstichting, die dit onderwijs verzorgde, zijn genoemd naar J.C. Amman, die in de zeventiende eeuw leefde en die een methode had ontwikkeld om doven te leren spreken. Nog steeds vormt die de grondslag van het spraakonderwijs aan doven. J.B. Molenwater, de bekende directeur van het Coolsingelziekenhuis, was de eerste stichtingsvoorzitter.Omstreeks 1900 drong steeds meer het besef door dat de vele gehandicapte kinderen eveneens recht hadden op onderwijs dat voor hen geschikt was. Ook de overheid besefte dit en begon particuliere instellingen op dat gebied te subsidiëren. Rotterdam nam in 1896 als eerste gemeente in ons land het onderwijs aan verstandelijk gehandicapten ter hand. Pionier was D. Kohier, hoofdonderwijzer aan de openbare lagere school aan de Helmersstraat. Hij begon een klasje in zijn school, dat na tien jaar uitgroeide tot een volwaardige school voor buitengewoon lager onderwijs. Maria Johanna de Monchy zette in 1912 een voorziening voor 'gebrekkige of mismaakte' kinderen op. Deze werd ter nagedachtenis aan haar vader Adriaan de Monchy de 'Adriaanstichting' genoemd. In 1914 werd voor deze kinderen een nieuw tehuis in Hillegersberg geopend.

Een laatste voorbeeld van wat er in Rotterdam op dit vlak gebeurde, is de Openluchtschool, die vooral was bedoeld voor kinderen met tbc en astma. Er werd les gegeven in lokalen waarvan het grootste deel van het jaar één wand verwijderd was. Zelfs als het vroor, stond die wand open; de leerlingen zaten dan met hun voeten in dik gevoerde zakken en ze hadden jassen met capuchons aan.